Nederlands Nieuw Guinea (vanaf 1963: Irian Jaya)Nieuw Guinea is een groot eiland, dat qua flora en fauna meer hoort bij Australië en de Polynesische eilanden, dan Indonesië.
De westerse helft van het eiland Nieuw Guinea kwam in 1714 in het bezit van Nederland. Op welke wijze moet ik nog verder onderzoeken. Feitelijk is dit enorme grote eiland ontdekt door de Portugezen in 1512 en ruim 30 jaar later nog eens door de Spanjaarden. Er was in die tijd nog maar weinig aandacht voor dit uit z'n voegen gegroeide eiland, waarin nog sprake was van natuurvolken zoals de koppensnellers, zelfs nog menseneters tot de helft van de 20e eeuw.
Soms organiseerde men een expeditie uit puur wetenschappelijk belang. En pas in de Tweede Wereldoorlog kwam dit eiland weer onder de aandacht door de inval van de Japanners ook in Nederlands Nieuw Guinea.
Op Nieuw Guinea werd namelijk een hevige strijd gevoerd tussen de geallieerden en de Japanners. En vooral op het eiland Biak zijn bloedige gevechten geleverd met de Japanners in de grotten.
Na de overgave van Japan op 15 augustus 1945 wilde Nederland zijn gezag terug op dit overzeese Nederlands grondgebied Nederlands Indië en Nederlands Nieuw Guinea, maar op 17 augustus 1945 volgde de proclamatie tot onafhankelijkheid van de Indonesische Republiek door Soekarno en Hatta. Nederland behield alleen nog Nederlands Nieuw Guinea. Op zich een directe uitwijkpost voor alle (Indische) Nederlanders, die zich niet onder het gezag van een onafhankelijk Indonesië wilde stellen.
Uiteindelijk kwam dit prachtige eiland met zijn bijzondere flora en unieke fauna (o.a. paradijsvogels, miereneters, oelar bisa (bruin gekleurde slang) toch nog in handen van de Indonesiërs.
N.B. In de 19de en 20ste eeuw werden vanuit Nederland veel expedities naar verre landen georganiseerd. Expeditieteams trokken voor metingen en waarnemingen de jungle in, beklommen bergen, bestudeerden de cultuur van de lokale bevolking en verzamelden veel voorwerpen. Ook het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) zond expedities uit. De vaak zeer interessante verslagen van deze expedities staan vermeld onder Knag-Expedities.
Het onderstaand verhaal is mijn verhaal, maar wel door de ogen van een kind van 9 à 10 jaar oud. Mochten de details in de beschrijving van de locatie of gebeurtenissen anders zijn, dan hoor ik die graag.
Foto: Uitzicht over de Humboldtbaai vanuit ons huisAnderhalf jaar hebben wij gewoond in Hollandia, in Dock VIII, in een van de huizen bovenaan, helemaal links in de hoek. Een huis met een eenvoudige indeling (woonkamer, keuken, drie slaapkamers naast elkaar, en voor en achter een terras), en naast het huis een groot stuk grond waarvan een deel geleidelijk naar boven glooide, met een pad richting 'bush-bush'. Ons huis kon je vanaf de weg beneden ons bereiken met een trap van 40 meter hoog, of je moest 100 meter verderop de weg omhoog oplopen om het pad te bereiken waaraan onze woning lag.
Foto: Guusje (6 jaar) en Cisca (9 jaar) poseren bij een grote steenDe helling liep vanaf het pad voor de huizen vrij steil naar beneden, en was bezaaid met vele grote stenen, waarop je - vooral als kind - kon springen of klimmen van steen tot steen - tot zelfs naar de weg toe. Een leuk spelletje dat we altijd speelden. De vulcanische aarde in Hollandia was droog en rood van kleur. Dus mama had altijd haar handen vol aan ons, voordat we naar bed gingen. En elke dag een grote was! Ondanks de droogte lukte het papa toch nog om daar allerlei tropische planten en vruchten te laten groeien. Onder anderen een cherrieboom, en een paar struiken van de kebang sepatu. Vaak maakten wij wandeltochten naar boven, dwars door het oerwoud achter ons huis, langs een pijpleiding, vermoedelijk voor water, zodat we nooit konden verdwalen.
Foto: vleesetende planten
Avontuurlijke tochten, waarin we wel eens een wild zwijn tegenkwamen, of slangen, maar ook vleesetende planten. En altijd kwamen wij weer heelhuids terug - met armen vol wilde orchideeën, voor mama, die daar heel blij mee was.
Van de grote kist van Varenkamp, die onze spullen over zee bracht vanuit het verre Nederland naar Hollandia, maakte papa een gezellig speelhol voor Guusje en mij, met al onze speelgoed, boeken en spelletjes erin.
En natuurlijk was daar voor ons de broer van mijn vader, oom Ed, die ons altijd meenam op zijn blauwe Vespa scooter en overal naar toebracht. Guusje staand voorop - en ik achterop. Elke 2 weken gingen we met z'n drieën naar de grote bibliotheek in de stad, waar we 8 boeken mochten meenemen.Foto: Cisca 9-10 jaar, oud als welp bij de Kabouters. Zie ook de blauwe Vespa van oom Ed op de achtergrond!
In Hollandia heb ik alle jeugdboeken, die ze maar hadden, verslonden, zoals de boeken over Arendsoog en Witte Veder, Pietje Bell, en nog vele meer. En ook kregen wij van mama en papa een hond om voor te zorgen, Jackie - en twee witte poezen, Witje en Kromstaart. Later kwam Kazan erbij. Oom Ed en tante Vera hadden ook een hond, Teddy, die al oud was, en blijkbaar was achtergelaten door de Amerikanen toen ze weer vertrokken uit Nederlands Nieuw Guinea.
En dan herinner ik mij het schiereiland waarop het zendstation waar papa werkte - was gelegen, maar ook Base G, het prachtige strand met haar overschaduwende palmbomen, witte stranden en helder water, waarin je heerlijk kon poedelen, want dat deden wij nog wel als kinderen van 6 en 9 jaar oud.
Maar we mochten nooit verder gaan dan een bepaalde lijn. Want dan kwam je in het diepe, diepe water terecht, waarvan je de bodem niet meer kon zien, en waarin je de haaien kon zien zwemmen. En ook de wilde branding verderop was verboden gebied.Foto's: Base G met zijn prachtige palmbomen, witte stranden en wilde branding
Ik herinner me nog weinig van de lagere school in Hollandia. Maar wel dat ik een lange periode thuis moest herstellen van een ongelukkige val van de berghelling voor ons huis, waarbij mijn rechter scheenbeen op de scherpe rand van een brede regengoot, die langs de hoofdwegen liepen, stuk sloeg. Het gebeurde vroeg in de avond, tijdens de schemer. We speelden weer dat spelletje van steen op steen springen naar beneden toe, en dan weer de trap op. Maar blijkbaar zag ik een groot stuk papier of krant voor een steen aan in het donker en gleed naar beneden. Groot paniek bij de mensen boven, dat weet ik nog wel. Ze schenen allemaal met zaklantaarns over de berghelling, om mij te zoeken. Maar ik was al weer via de weg naar boven omgelopen, hinkelend en slepend met m'n been, niet wetend waarom ik zo mank liep. Het was dan ook pikkedonker. Toen de mensen, opgelucht dat ze me zagen - met zaklantaarns op mij schenen, zagen ze een verwilderd meisje, onder het bloed met een enorm groot gat in haar rechterscheenbeen (zo leek het op dat moment). Papa trok helemaal wit weg en viel bijna flauw. Mama handelde meteen en zorgde ervoor dat ik gedragen werd naar huis, waar ze mij zo goed als ze kon verbond, terwijl een buurman een jeep haalde. Papa, inmiddels hersteld, reed mij samen met de buurman naar het Marinehospitaal in Kloofkamp. Dat was toch nog wel een hele rit. En ik vond het wel spannend. Acht verdovende injecties rondom mijn wond gaf de arts, waarna hij het vlees naar boventrok om het te hechten. Papa viel nu echt flauw en werd bijgebracht, maar moest de operatieve ingreep verder buiten afwachten. Hij kon niet tegen al het bloed van zijn kleine meid. Ik had op dat moment een litteken van wel 7 cm lang. En het duurde 3 maanden (er kwam ook nog een infectie bij) voordat ik weer naar school kon. Wel moest ik thuis bijlessen volgen, om het tempo op school later te kunnen bijbenen. Ook papa heeft mij in die tijd veel geholpen om de achterstand in te lopen. Ik kon ook niet mee op schoolvakantie naar het vakantieoord 'Ifar' vlakbij het Sentanimeer. Dus kwam de school met twee bussen vol met kinderen langs om mij als compensatie een cadeau te brengen, voordat ze vertrokken.
Wel zijn we ooit later met ons gezin en oom Ed en tante Vera naar Ifar gegaan om daar te gaan zwemmen onder de waterval.
Op 17 april 1958 speelde ik in ons speelhol van Varenkamp, toen der - zo leek het - hevig op de deur werd gebonkt. Ik dacht dat het de hond was. Boos over het lawaai maakte ik de deur open en staarde vol verbazing naar buiten. Vanuit de grond kwam een heftig, donker gerommel, alsof de donder in de grond was geslagen en het geluid daarvan zich trillend onder je voeten verplaatste. Stokstijf van de schrik stond ik daar op het trapje met ongelovige ogen om me heen te kijken. Een zeebeving die zich doorzette in het land met een kracht, ik meen me te herinneren - van 5,6 op de schaal van Richter, hoorde ik later, al wist ik op dat moment niet wat het betekende. Mama rende schreeuwend op me af sleurde mij en Guusje naar binnen, dwars door de woonkamer achterom - de slaapkamer in, waar Guusje en ik ons moest verbergen onder het ijzeren stapelbed. Luidkeels om hulp roepend, wapperend met haar armen, liep ze toen weg. Ik begreep niet waarom ze wegliep, en ze zichzelf niet in veiligheid bracht met ons. Net toen ze weg was volgde een enorme knal en dreun achter op ons huis, die dicht tegen de berghelling was gebouwd. Er was een enorme grote steen losgeraakt en deels op ons dak gevallen. Maar gelukkig was er alleen materieële schade. Eerst heerste grote paniek. Het duurde een hele tijd voordat Papa vanuit zijn werk kwam opdagen om te kijken of alles met ons in orde was. Hij had te kampen met veel obstakels door schade onderweg. Maar we waren allemaal blij dat het toch nog zo goed was afgelopen, en er niemand gewond was. Ik heb me toen als tienjarig meisje voorgenomen deze datum nooit meer te vergeten: 17 april 1958.
Oom Ed en tante Vera verhuisden naar Dock VII, vlak voor de brug naar het schiereiland - waar ook Base G lag. Vanaf hun erf liep er een pad naar een privéstrandje, waar Guusje en ik vaak gingen zwemmen met de honden. Tenminste met Kazan en Teddie, want Jackie hield er niet van. Hij bleef altijd op het strand toekijken. Jackie was een trouwe hond, die me altijd naar de bus bracht, wanneer ik naar school ging, en me ook opwachtte bij de bushalte, als ik terugkwam. 
De weg die voor ons huis liep vanaf de voet van de berg - verdween over de heuveltop weer in een S- bocht - de 'Jacqueline Bokkepoot-bocht' - naar Dock VII toe. Waarom is me nooit hélemaal duidelijk geweest. Men vertelde dat Jacqueline Bokkepoot een verpleegster was die in die bocht met haar auto in de afgrond was gestort en sindsdien daar zou rondspoken met een bokkepoot. Een verhaal, denk ik, om kinderen af te schrikken daar alleen naar toe te gaan, want het was een heel donker stukje dwars door het oerwoud, waar geen enkele bewoning was, totdat je onderaan de berg kwam, Dock VII.
Alleen Jackie en onze twee witte poezen (Witje en Kromstaart) mochten mee naar Biak, toen we anderhalf jaar later weer gingen verhuizen, omdat papa werd overgeplaatst naar een ander zendstation. Weer moesten we afscheid nemen, nu van oom Ed, tante Vera, Teddie en Kazan en zovele schoolvriendinnen. Papa ging alvast vooruit met de dieren, om alles voor te bereiden voor onze komst. Wij vertrokken pas na afronding van het schooljaar in 1958, zodat Guus en ik op de nieuwe school meteen konden doorstromen naar de volgende klas.
Biak
Een koraaleiland ten noorden van Nederlands Nieuw Guinea
We vlogen met de Kroonduif. Een klein en licht vliegtuigje, waarmee je elke windvlaag en luchtzak kon voelen. Er konden maar een tiental mensen mee. Papa haalde ons af van het vliegveld Mokmer op Biak.
Wij woonden in een soortgelijk huis (twee onder een kap) als in Hollandia. Alleen lagen de slaapkamers nu links van de woonkamer, maar ook hier weer met een enorm erf, vooral aan de achterkant, waar we menig spelletje speelden met elkaar. Ook hielden we een kippenren, met moeder Hen, de grootste en dikste kip. Zij broedde nog vele eieren uit, en er was een piepklein kuikentje dat altijd achter me aan liep. Helaas is die op een gruwelijke wijze aan z'n einde gekomen, vertrapt bij het knikkeren. Ik was ontroostbaar en woedend op Guusje, die niet goed 'uit haar doppen keek' bij het knikkeren, ondanks mijn waarschuwing, zo snikte ik het eruit. En in mijn drift heb ik Guusje ook verwond met een satéstokje, die ik - bij het zien van de uitpuilende darmen van mijn kuikentje - naar haar gooide. Vechten en een groot drama... Huisarrest voor de rest van de week inclusief het weekend. Da's heftig in die tijd. Guus bleef nog lang het ronde littekentje behouden in haar been. Arme Guusje, in haar speelsheid slachtoffer van die krengerige, driftige zus.Maar onze Guusje had ook haar eigen wijze om duidelijk te maken dat zij haar eigen weg ging.
Want ze had een vriendje, Fransje Domburg. met wie ze altijd vadertje en moedertje speelde in een soort tent die zij hadden gebouwd met elkaar in de achtertuinen. 'En ik mocht nooit meedoen...' Ach, kinderen.... haha!
Ook een goede herinnering had ik aan de vroege ochtendmarkt, langs de zee, waar ik altijd met mama heen ging, en waar we verse vis, net gevangen in zee, en groenten konden kopen. En dan was daar ook die geur van de heerlijke snacks en zoetige broodjes die de Papoea's verkochten.
Een hele leuke, blijvende herinnering is de balletuitvoering uit '1001 Nacht' met 'Sheherezade vertelt' onder leiding van Margie Tomei. De foto's hiervan zal ik in een aparte reportage downloaden.
De muzikale omlijsting van de tijd in Biak werd 'verzorgd' door 'Jim Reeves'.
















No comments:
Post a Comment