Makassar 1 mei 1947

Makassar 1 mei 1947

Thursday, February 22, 2007

Fietje Akkerman-Grillet, mijn moeder, onze moeder

Kort verslag van het jonge leven van Sophia Jozephine Elizabeth Grillet

Mama (roepnaam: Fietje) is geboren op 30 juli 1923 in Borneo, Simitau als eerste dochter van Jozeph Grillet en Maria Frederiks (roepnaam: Ietje).



(1941-1950) Haar verhalen over haar jeugd beginnen in Makassar, de Marinestad van Nederlandsch Indië, gelegen op het zuidelijkste puntje van Celebes.

Zij groeide voorspoedig op tot een mooi jong meisje en was zeventien jaar oud, toen de Tweede Wereldoorlog 7 december 1941 uitbrak met de aanval van Japan op Pearl Harbour.

Toen de berichten binnenkwamen dat de Japanners ook spoedig Nederlands Indië en daarmee ook Makassar als belangrijke Marinebasis zouden binnen vallen, besloot Jozeph Grillet ook zijn gezin te evacueren naar Malino, een mooi dorpje – 70 km verderop van Makassar in de bergen, met een heerlijk klimaat, en veel frisse lucht. Het was belangrijk om als Indo-Europeaan zijn gezin in veiligheid te brengen; met name de meisjes Fietje, Oda en Trees, die al van huwbare leeftijd waren. Hij bracht zijn huwbare dochters onder in het klooster bij de Zusters van de Congregatie van het Heilig Hart in Malino en verbleef met de rest van zijn gezin in een bungalow die hem werd toegewezen en moest delen met andere Indo-Europenanen, die ook geëvacueerd waren. Het gezin verbleef dus al enkele maanden in Malino, toen de Japanners op 9 februari 1942 Makassar binnen vielen. Alle Europeanen en Indo-Europeanen werden door hen afgevoerd naar interneringskampen. Ook waren de Japanners in die tijd op zoek naar jonge meisjes (van plezier) voor hun soldaten. Toen de Japanners ook Malino naderden, smeekte Mama’s vader Jozeph Grillet de zusters van de Congregatie van het Heilig Hart hem te helpen om zijn dochters te beschermen. Toen de Japanners mama als achttienjarige wilden meenemen, kwamen zij – met gevaar voor eigen leven – tussenbeiden, en smeekten zij de Japanners haar niet mee te nemen, omdat zij novice was en al beloofd als bruid aan God. De Japanners – toch wel gevoelig voor dergelijke spirituele argumenten – toonden hun respect, en zagen af van hun voornemen. Wel werden alle vrouwen en kinderen (dus ook alle nonnen) afgevoerd naar het Japanse barakkenkamp in de vlakte – 70 km ten zuiden van Makassar - genaamd Kampili, waar alle vrouwen en kinderen van Europese en Indo-Europese komaf geïnterneerd werden vanuit Celebes en Ambon. De mannen en jongens vanaf 16 jaar werden op transport gesteld naar het mannenkamp in Paré-Paré.

Onze oma, Maria Grillet-Frederiks, werd voor het eerst afgescheiden van haar man Jozeph Grillet, en moest dus met haar dochters Fietje, Oda, Trees, Nora, Jeanne, Mona, Irma en Greta en haar jongste zoon Ivo (en Fonsje?) naar het interneringskamp Kampili. Het kamp werd geleid door een Japanse commandant, de Bokèh, waarover mama niets anders dan goeds kon zeggen. Mama heeft de oorlogstijd beschouwd als een goede tijd, waarin zij veel geleerd heeft, en waarin zij niets tekort is gekomen. De Bokèh moest toezicht houden op zo’n 1700 vrouwen en kinderen, geen lichte taak, waarvoor hij dan ook een kampleiding samenstelde uit de gevangen genomen oudere, vooraanstaande vrouwen.

HET LEVEN IN HET JAPPENKAMP KAMPILI

Veel informatie, die ik hieronder vermeld, heb ik niet alleen van mama, maar ook van oom Jan van der Sanden, en uit een samengestelde document van de reunie Kampili ‘Zo verging het ons’ gehaald, om zo een beeld te schetsen van de omstandigheden waarin onze mama en oma tijdens de oorlog verkeerde.

Van mijn moeder, Fietje, weet ik dat zij tijdens deze oorlogsjaren zwaar keukenarbeid moest verrichten in de Centrale Keuken, die onder leiding stond van Mevrouw Den Hond, een kleine maar dappere vrouw, waarvoor de Bokèh niet anders dan heel veel respect had, en met wie mama tot lang na de oorlogsjaren nog veel contact heeft gehad. Mevrouw Den Hond woonde, terug in Nederland, tot aan haar dood in Badhoevedorp.

In de centrale keuken kookten ze in grote doorgezaagde oliedrums op stookgaten (stoken met bamboe). In de ochtend rijstepap, en laat in de middag de hoofdmaaltijd, die bestond uit rijst met sajoer.

Ik heb gelezen dat Kampili een voormalig sanatorium was voor tbc-patiënten en bestond uit tientallen kleine huisjes. De Jappen hebben op dit terrein ook elf lange rijen bamboeloodsen laten bouwen. Ze sliepen op bamboe britsen. Geen matrassen, kussens of klamboes. Achter de loodsen bevonden zich lange rijen hurk-w.c.’s zonder water. Water moest worden gehaald uit de zogenaamde waterputten, die zich bevonden tussen de loodsen, gebouwd van cement op een cementen vloer en een bamboe huis erom heen. In de droge tijd bleken de putten te ondiep en kregen de gevangenen opdracht om deze uit te diepen, zonder gereedschap!

In de Centrale Keukenloods was er een waterpomp, maar die was zo diep, dat twee sterke vrouwen samen de pomp moesten bedienen en soms – na lang pompen – een vrouw met een bloeding in het ziekenhuis belandde. Kampili had dus ook een ziekenhuis met vier doktoren, 2 mannen en 2 vrouwen. Later zijn de twee mannelijke artsen naar het mannenkamp in Paré-Paré overgeplaatst.

Buigritueel: iedere ochtend, klokslag 6 uur, stond iedereen in de loods kaarsrecht voor zijn tampatje (brits) en moesten ze op Japans commando buigen als een knipmens voor de commandant. Zo ging hij alle twaalf loodsen langs (100 personen per loods) en later ook de huisjes van de Ambon-groep, die in 1943 werden geïnterneerd. Mama zat met haar familie volgens mij in loods 2 of 3 met als hoofd mevr. Den Hond, de groep van Malino.

Dolle honden. Zo ken ik ook een verhaal van mama over een zwaar incident van een vrouw, genaamd Toos Hoogeveen, die op een nacht door een dolle hond werd gebeten. Zij schoot de varkens te hulp schoot in de varkenskraal, die door deze hond werden aangevallen. Er liepen namelijk vele hongerige, verwilderde honden rond in het kamp. De Japanse commandant ontzegde Toos het serum, omdat ze zich op verboden terrein bevond. Toos is na een vreselijk lijden overleden. Van mijn moeder begreep ik dat zij uiteindelijk is doodgeschoten, om een einde aan haar lijden te maken.

Dysentrie. In het Jappenkamp Kampili heerste veel dysentrie. Bijna elke kampbewoner is wel eens (en zelfs meerdere keren) besmet geraakt. De zieken werden verpleegd in de dysentriebarak door nonnen en vrijwilligsters, met behulp van alle mogelijke primitieve middelen, waarover ze maar konden beschikken. Af en toe bracht de kampcommandant medicijnen uit Makassar mee, met de mededeling dat deze alleen voor de kinderen mochten worden gebruikt.

Koeien en melk. Zo had Kampili ook koeien. Enkele melkkoeien, Fries vee en enkele bultvee koeien. Ze werden verzorgd door de nonnen. De melk was voor het ziekenhuis en de kleine kinderen. Het voer voor de koeien kwam van de grote aanplant ketella (zoete aardappel). Alleen het blad werd daarvoor geoogst. Leuke anekdote is dat één van de koeien Jan-Klaassen heette, omdat ze af en toe kuren vertoonde.

Religie. Kampili beschikte ook over een dominee, die ’s zondags preekte in de kerkloods en een pastoor, een Jezuïet, die bij de nonnetjes de mis opdroeg. De dominee mocht alleen zijn ambt uitoefenen als hij ook timmermanswerk deed. De pastoor werkte o.a. als slachter van kleine karbouwtjes - samen met een paar oudere jongens. Het vlees brachten ze naar de centrale keuken, alwaar het verwerkt werd voor de Japanners.

Muziek. In Kampili was er ook een pianiste van Russische origine, die een zangkoor heeft samengesteld. Zij leerden allerlei Russische liederen te zingen, meerstemmig. Er waren hele goede stemmen aanwezig, zowel sopranen als alten, en ik begreep dat vooral ’s avonds, in het donker met de flakkerende lichtjes – want electriciteit was er niet, alleen oliepitjes - het zo magisch was en zo mooi om weer muziek te horen. Het maakte het leven in ieder geval een stuk aangenamer.

Groenten. Ook beschikte Kampili over een groententuin, ofwel een moestuin. Een lap grond, waarop allerlei groenten, met de hand gezaaid, geplant en gewied en besproeid werden door de nonnen. De opbrengst ging naar de centrale keuken voor de ‘sajoer’ bij de rijst.

Naaikamer. En dan was er de naaikamer, onder leiding van zuster Bertilia van het Heilig Hart, met 110 naaimachines, waar de vrouwen werkten voor de Jap. Materialen werden gebracht door Japanse vrachtauto’s van het Japanse leger.

Bombardementen. Voor zover ik weet, heeft Mama, vooral in het laatste oorlogsjaar vele bombardementen meegemaakt. Na elk bombardement moest ze helpen opruimen en ook op zoek gaan naar de zware drums, waarin het eten moest worden gekookt, zo vertelde ze mij. Daarvan bestaat een foto, waar ze zit uit te rusten op een muurtje tussen de puinhopen in, vlak na een bombardement. Die foto ben ik nog aan het zoeken. Ik heb ‘m dacht ik gezien in een boek over de oorlogsjaren in o.a. Kampili. Het waren Amerikaanse vliegtuigen die de bommen gooiden. Men schuilde dan in open en later overdekte schuil-loopgraven. Iedereen vluchtte dan de dichtsbijzijnde schuil-loopplaats in en wachtte op z’n hurken in de loopgraaf totdat het bombardement was afgelopen. Het ergste bombardement was een bombardement met 57 vliegtuigen (van de Amerikanen) die phosphor-bommen gooiden. Alle loodsen vlogen in brand en er ontstond natuurlijk paniek. Er waren dan ook vele gewonden. Dit soort bommen veroorzaakten ernstige verwondingen, die door de phosphor bleven doorvreten, met als uiteindelijk gevolg ‘gangreen’ en constante amputatie tot gevolg. Ook lagen er overal stapels phosphorbommen gebundeld, onontploft, wat voor een gevaarlijke situatie zorgde in het kamp. Ik heb van mama begrepen dat mevrouw Den Hond er altijd voor zorgde dat haar mensen veilig waren en op tijd onderdoken in de beschutte loopgraven.

Na zo’n bombardement werd er gebruik gemaakt van een noodkamp, het boskamp. Alleen de keukenploeg bleef achter (dus ook mama) in het zwaar gehavende kamp, om te koken. Ze moesten toen noodgedwongen slapen in het schooltje, dat nog als enige intact was. WC’s waren er niet meer, dus deed iedereen zijn behoefte in het bos, met als gevolg alweer zware gevallen van dysentrie. Water moest je halen bij de bron in het oude kamp, een half uur lopen van het noodkamp.

De bevrijding

Vlak voor de bevrijding ging het gerucht dat de Bokèh zich in het wit had gekleed en zijn zwaard aan het uitproberen was op kleine boompjes om de commandopost heen. Een aantal dames werden als waarschuwingspost uitgezet rondom de commandopost, om de boel in de gaten te houden. Maar gelukkig ging de bui over. Men kon alleen gissen wat er was gebeurd. Geen enkel bericht van de oorlog bereikte het kamp. Pas later hoorde men dat op 6 en 9 augustus 1945 een atoombom op Hiroshima en Nagasaki was geworpen, waarna keizer Hirohito besloot tot capitulatie. Op 15 augustus maakte hij in een radiorede de overgave bekend.

Op 15 augustus 1945 moest iedereen om 4 uur ‘s middags aantreden op het plein voor de commandopost voor een belangrijke mededeling van de kampcommandant. Maar die bleek helemaal ontdaan en in plaats van een speech kwamen er tranen. Mevrouw Joustra nam het toen over en vertelde dat Japan zich had overgegeven en waarom. De Tweede Wereldoorlog, ook in Nederlands-Indië, was definitief voorbij. Iedereen was stil. Daarna zongen ze met z’n allen het Wilhelmus. Het volkslied klonk als uit een ver verleden, zo vertelde mij iemand van de Kampili reunie. De meesten waren uitgelaten, verlangend naar hun man of vader, als die nog leefde. Het was nu nog wachten op nieuws van de mannen.... Enkele oorlogsvliegers hadden gehoord over Kampili en hadden spontaan hun voorraden ingeladen en alles op een ‘alang²’-veld gedropt, zonder parachutes. Chocoladerepen, die smolten en aan halmen kleefden, werden gretig afgelikt door de kinderen. De zachte chocolade in de zakken van de kinderen smolten en liepen als bruine druppels langs hun benen. Zakken meel raakten de grond en barstten open, alles witmakend. Ach, de droppings waren goed bedoeld, zo dachten ze in het kamp.


NA DE BEVRIJDING

Alle Europeanen en Indo-Europeanen dachten hun oude leventje weer te kunnen oppakken, maar dat idee werd gauw tenietgedaan door de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesie, afgegeven op 17 augustus 1945. Hierdoor ontstond grote chaos in het voormalig Nederlands Indië. Europeanen en Indo-Europeanen vochten om voorrang om het land uit te kunnen, terug naar Nederland, of voor de vele Indo-Europeanen weg naar Nederlands Nieuw Guinea.

Nederland ging niet akkoord met de onafhankelijkheidsverklaring en er volgden twee grote politionele akties in 1947 en 1948. Vele Indo jongens in die tijd dachten overmoedig dat ook zij hierin hun steentje konden bijdragen, wat hen letterlijk het hoofd kostten. Zo overkwam dit - volgens de geruchten – ook een jonger broertje van mama, Fonsje. Niemand heeft hem ooit weergezien.

Vanaf half september 1945 vertrokken de vrouwen en kinderen van Kampili langzaamaan naar de stad Makassar, waar ze ingedeeld werden in Europese huizen, soms met meerdere gezinnen. Iedereen sliep toen nog op de grond. In Makassar was het onveilig. Vele inbraken en overvallen. En vele schietpartijen, men zegt met name door de Australische wachten die op alles schoten wat maar bewoog, zelfs op vuurvliegjes!

Wanneer de familie weer bijeen was, kunnen we nog alleen aan tante Nora, tante Irma (8 jaar oud) en oom Ivo (4 jaar oud) Grillet vragen; voorzover zij zich dat natuurlijk kunnen herinneren, zo jong als zij waren.

Tante Irma herinnert zich weinig van de oorlog en Ivo was denk ik nog veel te jong.

De na-oorlogse jaren waren jaren van hoop, geloof en liefde en vreugde, wanneer uiteengereten gezinnen elkaar weer vonden, maar ook veel verslagenheid, wanhoop en verdriet, wanneer dit niet het geval was.

Maar de opbouw kon beginnen. Of dat dacht men. Iedereen was naarstig op zoek naar een manier om weer in zijn of haar onderhoud te kunnen voorzien. Kinderen, maar ook volwassen ‘kinderen’ gingen weer naar school om zo weer hun toekomst te kunnen creëren.

Verliefd, verloofd, getrouwd

Mama begon na de oorlog te werken als kleuterleidster, waar ze haar grote liefde leerde kennen, Max Akkerman. Hij liep altijd langs haar klaslokaal, op weg naar zijn werk, de MLD (Marine Luchtvaart Dienst). Haar verhaal was, dat zij hem in het begin eigenlijk niet mocht. Ze vond hem brutaal, omdat hij zo “gluurde” door het raam van haar klaslokaal en eigengereid, omdat hij haar om een kopje koffie durfde te vragen. “Wie denkt hij wel te zijn’” dacht ze toen. Tot haar grote verbazing trof zij hem op een keer bij haar thuis aan, op bezoek bij haar ouders. Achteraf bleek dat hij was meegekomen met haar grote broer Jeffie, die ook bij de MLD diende. Ondanks alle antigevoelens van haar kant raakte ze verliefd op haar Max, als de enige grote liefde van haar leven. En al gauw waren ze niet alleen verliefd, maar ook verloofd en – pas na toestemming van de Koninklijke Marine, die erg laat kwam – per 1 mei 1947 getrouwd.

In hun verliefde periode brachten ze veel tijd samen door met zeilen naar naburige romantische eilanden (met als chaperonne o.a. mijn neef Ted Akkerman, zoon van de oudste zus, tante Zus, van Max), en hielden ze zich in hun vrije tijd bezig met muziek en dansen. Ze waren jong en de hele wereld voor hen lag open. Ze verloofden zich op 17 november 1946 en hadden verwacht in februari 1947 te mogen trouwen. De toestemming van de Koninklijke Marine kwam echter laat, en ze konden pas 3 maanden later trouwen op 1 mei 1947.

Een zeiltocht naar het eiland ‘Samalona’ op de datum waarop ze eigenlijk gepland hadden te kunnen trouwen, hebben zij beiden feitelijk als een huwelijksdag beschouwd.

Dit heeft mijn moeder me verteld, toen ik haar onschuldig vroeg of ik een zevenmaands kindje was, aangezien zij in mei 1947 getrouwd waren en ik in december 1947 geboren was. Zij bloosde en bekende dat zij en papa voor hun gevoel al getrouwd waren. Het was de schuld van de Marine dat zij niet konden trouwen op de eigenlijk geplande datum in februari 1947.


Eerste kind, een dochter

Op 18 december 1947 om 13:00 uur werd hun eerste kind ‘van vrouwelijke kunne’ geboren.

Max kon na het huwelijk niet lang meer blijven bij zijn vrouw en kind en moest voor opleiding tot telegrafist bij de Koninklijke Marine naar Nederland in Vlissingen. Ter voorbereiding van zijn afvaart vertrok hij al een maand na de geboorte naar Soerabaya, naar de Marinebasis aldaar om zich voor te bereiden voor vertrek naar Nederland, eind februari 1948.

Grote foto: Mama 25 jaar oud met haar dochtertje Cisca.
Op de achtergrond kleine Irma
(Wat lijkt Mirja veel op haar!)

Fietje met haar dochtertje Cisca bleven achter in Makassar, veilig bij haar ouders. Jozeph en Maria zorgden goed voor hun dochter en kleindochtertje, maar konden het verdriet van mama over de tijdelijke scheiding van haar geliefde niet verzachten. Zij miste hem vreselijk, maar hun dochtertje was een grote troost voor haar. Mama en papa schreven elkaar vele brieven; papa probeerde - voorzover dat tussen zijn drukke bezigheden mogelijk was, een dagboek bij te houden over zijn wel en wee, een hardkaften schriftje waarop staat: voor Fietje. Mama hield al vanaf de weeën, die begonnen op 13 december 1947, een dagboek bij over het wel en wee van hun kindje tot en met de eerste verjaardag, zodat haar geliefde niets zou missen van elk woordje, stapje, gebaartje.

Ondertussen was de politieke situatie verre van ideaal. In 1949 was onafhankelijk Indonesië een feit, en moest Nederland zich bij dit besluit neerleggen. Alle Europeanen moesten het land verlaten; alle Indo-Europeanen (zoals men zich ook noemde afstammend van gemengd Indisch en Europees bloed) moesten hun keuze maken.

Mijn vader kwam, meen ik, eind februari 1949 terug. Zijn dochtertje Cisca wilde niets van hem weten. En toen mammie haar vroeg pappie een kus te geven, liep dochterlief naar het fotoportret van haar pappie en gaf dat een kusje. Maar haar levensechte pappie kon het wel vergeten. Pappie heeft toen alles op alles gezet om zijn dochtertje weer voor hem te winnen en was de gehele dag met haar bezig. En vooral ’s-nachts was het zelfs heel moeilijk, want dochterlief – zo klein als ze was - hield haar moeder goed in de gaten, zodat die vreemde man niets kon uithalen. En als mammie Cisca tussen hen in in bed deed, kroop Cisca heel snel naar de andere kant van haar mammie. Uiteindelijk gelukte het Max, met veel geduld en liefde, de liefde van zijn dochtertje te verwerven en accepteerde ze hem toch nog als haar pappie. Dit verhaal heb ik dus van mama.

Wij bleven niet lang in Makassar bij oma en opa, omdat Max overgeplaatst werd naar Soerabaya, waar de Marine ook haar basis had. Fietje en Cisca volgden later. Wanneer dat nou precies was, weet ik niet, maar wel in de loop van 1949. In Soerabaya werden alle voorbereidingen van de reis naar Nederland getroffen. En allemaal in de hoop elkaar ooit weer in Nederland terug te zien. Een broer van mijn vader, oom Ed, was al gevlucht naar Nederlands Nieuw Guinea.

Links: statische gegevens over Kampili: hier indrukken


Vertrek naar Nederland met de Sibayak.

Wij gaan nu terug naar 1950. Het jaar (datum is mij niet exact bekend, maar zover bekend was mama aan het begin van haar zwangerschap, 2,5-3, misschien 4 maanden, dus mogelijk in april 1950) waarin Fietje en Max samen vertrokken met de ‘Sibajak’ naar Nederland, met hun dochtertje Cisca, en een tweede kindje op komst. Tante Irma weet nog dat mama heel erg huilde bij het afscheid. Zou ze iedereen weer terugzien in Nederland?


Eén incident tijdens de reis weet ik van mama.

In het Suezkanaal gingen mama en papa met hun dochtertje Cisca aan land. Mama vertelde dat er een Arabier haar aansprak, zeggend dat zij een heel mooi kindje had met mooie kijkers. Hij bood geld aan voor mij en in paniek maakte zij onmiddellijk rechtsomkeer naar de Sibayak, zo bang als ze was, dat die man mij zou meenemen. Haar eerste confrontatie met 'den vreemden'!

Zie volgend hoofdstuk in archief 2008: De jaren 1950-1957 in Nederland


(voetnoot 1) De oorlog heeft veel veroorzaakt, maar de onafhankelijkheid van Indonesië heeft bij de Indische Nederlanders voor veel gemengde gevoelens gezorgd, die zij niet konden uitspreken, ook al omdat ze van gemengde afkomst waren. Altijd opgegroeid met het gevoel Nederlander te zijn, maar hun achtergrond en cultuur niet verloochenend, moesten zij zich toch leren aanpassen in Nederland. Opa Jozeph en oma Maria zouden ons volgen naar Nederland met de overige kinderen die nog bij hen thuis woonden, Jeanne, Mona, Irma, Greta en Ivo.

Jeffie en Nora waren al in Nederland. Oda is een verhaal apart, maar kwam ook in 195? met haar man Karel Reijniers en haar zoon Wimpie naar Nederland.

Feitelijk had opa Jozeph al een reisdocument voor iedereen om af te reizen. Er kwam een lelijke kink in de kabel. Want oma Maria was vol verlangen naar haar dochters en kleinkinderenin Nederland, maar overleed vroegtijdig op 51-jarige leeftijd op 6 juni 1952. Opa Jozeph kon dit niet goed verwerken, en werd goed verzorgd door zijn dochters Irma en Jeanne. Hij overleed uiteindelijk in augustus 1958 op 74-jarige leeftijd. Alle goede intenties en dromen van vóór 1950 konden niet meer worden waargemaakt met al dit verlies. Een onverwerkt verdriet voor mijn moeder, die haar leven toch weer moest oppakken, om voor haar gezin te zorgen. Haar enige intentie was nog om – terug in Nederland – te proberen Irma en haar kinderen naar Nederland te laten komen. Irma was gescheiden van Arivin Amin Dayura Tutu, de vader van haar twee kinderen Joyce en Roy. Irma had wel een vriend, een bankdirecteur. Zij besloot toch van het aanbod gebruik te maken en kwam in 1965 met haar kinderen Joyce en Roy naar Nederland. Achteraf - in Nederland - bleek zij weer zwanger van een derde kind, Ronnie (van haar vriend die zij achterliet)- op 10 juni 1966 geboren in Sneek. Een aanbod van haar vriend in Indonesië - toen hij hoorde van haar zwangerschap - heeft zij afgeslagen. Zij was veel te blij bij haar oudste zusters te mogen zijn.

Mona was inmiddels getrouwd met een vooraanstaande Indonesiër, die later assistent-resident werd van Sulawesi-Utara (Noord-Celebes). Zij woonden in Manado.

Greta trouwde met een Menadonees, oom Bambang en kreeg vele kinderen. Zij woonden op het eiland Lombok. Oom Bambang was een 'healer' en gaf ook les in pencak silat. Hij werd door de Lombokkers de 'sultan van Lombok' genoemd, zo vertelde hij me eens.

En Jeanne, Jeanne is getrouwd geweest met een ‘Hadji’, waarvan zij later is gescheiden.


1 comment:

Anonymous said...

Erg leuk Cis!
Ik vind het erg leuk om al die verhalen te lezen;-)
Ga vooral zo door keep up the good work!
Ziet er echt goed uit!

Kus,

Rosita